6 Juni 1940: de eerste Nederlanders in de Waffen-SS. Wat deed de NSB ?

Tijdens de verkiezingen voor de Tweede Kamer in 1937 rekende Mussert opnieuw op een grote overwinning voor de NSB. De teleurstelling was dan ook groot toen bleek dat het Nederlandse volk hem massaal links liet liggen. De bijna 8% die de NSB in 1935 wist te behalen, werd in 1937 gehalveerd. De verkiezingsnederlaag van 1937 herhaalde zich twee jaren later: net als alle antidemocratische partijen leed de NSB toen tijdens de statenverkiezingen weer een smadelijke nederlaag. De Beweging haalde in 1939 niet meer dan 3,98% en het werd zelfs Mussert duidelijk dat de kans op een spoedige legale machtsgreep nu wel erg klein was geworden. Binnen de NSB heerste na de nederlaag de overtuiging dat alleen een omverwerping van de Nederlandse democratische staat, de weg naar de machtsovername vrij zou maken. Dit scenario zou zich moeten voltrekken met hulp vanuit het buitenland, oftewel Duitsland.

De Duitsgezindheid die de afgelopen jaren al in sterkte was toegenomen, werd in 1939 nog meer uitgedragen dan de voorgaande jaren. De 'Anschluss' met Oostenrijk, de inlijving van het Sudetenland en zelfs de bezetting van Praag waren volgens Mussert allen daden die als gevolg van de oorlogsvoorbereidingen van Frankrijk, Groot-Brittannië en de Sovjetunie noodzakelijk waren. Alhoewel Mussert wel enige kritische noten plaatste bij het feitelijke Duitse optreden, overheersten de pro-Duitse commentaren. Op 21 april 1939 deelde Mussert aan een ambtenaar van het Duitse Ministerie van Buitenlandse Zaken mede dat de anti-Duitse stemming in Nederland snel zou verdwijnen als hij, Anton Mussert, aan de macht kwam. De NSB-leider was er van overtuigd dat een gewapend conflict tussen Duitsland en Groot-Brittannië onvermijdelijk was. In die komende oorlog kon Duitsland met betrekking tot Nederland twee dingen doen: Nederland klein en onbetekenend houden of Nederland, met het oog op het behoud en de exploitatie van de koloniale bezittingen, zo sterk mogelijk maken en dus Mussert aan de macht helpen. Want zo schreef Mussert: '... Dit Nederlandse rijk wenste, nadat de NSB de macht veroverd had, de vriend van Duitsland te zijn' en waarom zou Hitler Nederland dan nog klein houden? In de lente van 1939 had Mussert dus al besloten de NSB definitief een pro-Duitse lijn te laten volgen. Dit betekende zeker niet dat hij hoopte dat Nederland hetzelfde lot als Bohemen en Moravië zou moeten ondergaan. Mussert kende nog steeds een bepaalde angst voor Duitsland, zeker nadat in september 1939 ook Polen het slachtoffer was geworden van Hitlers veroveringsdrang.

In maart 1940 ging Rost van Tonningen, overigens niet in naam van de NSB, naar Berlijn om de Duitsers ervan te overtuigen dat een inval het nationaal-socialisme in Nederland niet bepaald zou bevorderen. Rost werd ontvangen door de SS-Gruppenführer Karl Wolff, de rechterhand van Himmler. Deze waarschuwde hem dat er 'zware tijden' op komst waren en dat de NSB prominenten wellicht gevangen zouden worden gezet. De angst die Mussert altijd al had gehad leek hiermee bevestigd. 'Zware tijden' kon duiden op een Duitse inval en daar was de NSB geen voorstander van. Aan de andere kant kon alleen Duitse steun de NSB uit het politieke dal halen, een inval had dus ook zijn voordelen. Met de gedachte dat Hitler na de capitulatie Nederland als koloniale macht wel zou gaan versterken, was het allemaal misschien nog zo erg niet. De hoop dat een eventuele Duitse inval zou leiden tot een regering-Mussert maakte de angstgevoelens van een ondergeschikt belang.

Net als verschillende andere West-Europese regeringen in 1940 hield ook de Nederlandse regering ondanks de staat van neutraliteit angstvallig rekening met een Duitse inval. De toenemende dreiging van een aanval bracht de regering er toe om op 1 mei, 21 potentieel staatsgevaarlijke personen te laten interneren. Onder de 21 bevonden zich de radicale NSB'ers Feldmeijer en Rost van Tonningen. De NSB-leider Mussert behoorde echter niet tot de arrestanten: hij was, zoals de verantwoordelijk procureur-generaal later verklaarde 'daarvoor te onbenullig'. De Duitse inval vond plaats op 10 mei 1940. In de chaos en de grote paniek tijdens de vijf oorlogsdagen, werden vele duizenden mensen verdacht van landverraad en opgesloten. De capitulatie van de Nederlandse strijdkrachten in Nederland betekende niet dat er een einde kwam aan de detentie van de 21 geïnterneerden. Samen met vele anderen die tijdens de oorlogsdagen waren vastgezet, werden de 21 naarmate de Duitse opmars vorderde steeds meer naar het zuiden vervoerd. Pas op 26 mei werden zij in Calais bevrijd, doordat de Wehrmacht de havenplaats had veroverd.

Nederland werd geconfronteerd met een bezetting en kreeg een civiel bestuur onder leiding van dr. Arthur Seyss-Inquart. Hitler had hem een moeilijke taak opgelegd: hij moest het Nederlandse broedervolk voor het nationaal-socialisme winnen, het liefst op een vriendelijke manier. Nu de Duitsers Nederland toch onder de voet hadden gelopen en een bezetting af hadden gekondigd, achtte Mussert de kans op een door hem geleide regering groot. De NSB-leider verkeerde in de veronderstelling dat Hitler, nu de nieuwe tijd was aangebroken, hem spoedig van zijn nieuwe taken op de hoogte zou stellen. Mussert ging er echter ten onrechte van uit dat de Duitsers de NSB en vooral hemzelf al hadden uitverkoren als politiek bondgenoot. De bezetter hield zijn opties, met betrekking tot eventuele Nederlandse bondgenoten, aanvankelijk nog duidelijk open. Speciale afgevaardigden bezochten de verschillende Nederlandse potentiële collaborerende partijen en brachten op basis van hun bevindingen rapport uit aan Berlijn. De andere partijen (de NSNAP'en, Zwart Front) wisten een nog slechtere indruk te maken waardoor van een direct samenwerkingsverband met de bezetter geen sprake kon zijn. Wel werden de banden intact gehouden voor het geval de situatie zich ooit zou wijzigen. De NSB bevond zich na verloop van tijd in een bevoorrechte positie, dit gold (nog) in mindere mate voor haar leider. Hij werd niet eens uitgenodigd voor het bijwonen van de installatie van Reichskommissar Seyss-Inquart. Mussert had tot dan toe bepaald geen indruk gemaakt op de Duitsers. Hij wist zijn angst voor met name Himmlers SS, welke in Musserts ogen Nederland in wilde lijven, niet erg goed te verbergen. Seyss-Inquart liet zich in een rapport aan Berlijn mede daarom zeer negatief uit over Mussert.

Rost van Tonningen daarentegen had een goede indruk op de bezetter gemaakt en hij kwam er in het rapport dan ook heel wat beter af. Mussert vond in de in juni teruggekeerde Rost van Tonningen een sterke concurrent en leek zijn leidende positie binnen de NSB kwijt te raken. Rost deed zijn voordeel met vooroorlogse contacten in Duitsland en Oostenrijk en was veel nationaal-socialistischer dan de andere NSB-kopstukken, hetgeen hem een voorsprong op de rest gaf. Berlijn was zeer gecharmeerd van zijn radicale antisemitische houding (die Mussert niet had) en overwoog hem, in plaats van Mussert, als voornaamste handlanger binnen de NSB te steunen. Ook de SS sprak heimelijk zijn voorkeur uit voor Rost: hij had immers duidelijk gemaakt dat hij niet afwijzend stond ten opzichte van de SS-ideologie. Direct na zijn terugkeer op 2 juni uit zijn gedwongen verblijf in Calais, kreeg Rost een uitnodiging van Seyss-Inquart. Samen met Himmler, die Rost al van voor de oorlog kende, sprak de Reichskommissar met de voormalige geïnterneerde over diens toekomst. Rost werd belast met de uiterst belangrijke taak een nationaal-socialistische ommekeer in Nederland tot stand te brengen door de arbeiders, de boeren, de jeugd en de vrouwenorganisaties aan het Derde Rijk te binden. De mededeling dat er voor de Nederlanders een 'eigen' Standarte binnen de Waffen-SS was gereserveerd, viel bij de SS-gezinde Rost in goede aarde. Tevens werden hem de plannen van de oprichting een Nederlandse Allgemeine SS voorgelegd. Rost schaarde zich volledig achter de bevelen uit Berlijn. De plannen omtrent Nederlanders in een Allgemeine SS en in het eerste jaar van de bezetting ook in de Waffen-SS, moeten worden vooral gezien in het kader van de propaganda en de machtsuitbreiding van de SS in Nederland, waarop later nog zal worden ingegaan.

Mussert werd, waarschijnlijk door het negatieve beeld dat de Duitsers van hem hadden, pas zeven dagen later dan Rost over de plannen van de SS geïnformeerd. Tijdens de ontmoeting met Gottlob Berger van het SS-Hauptamt, vernam de NSB-leider tot zijn grote schrik dat Hitler een bevel voor de oprichting van SS-Standarte 'Westland' had gegeven. Standarte 'Westland' moest worden opgebouwd uit Nederlandse en Vlaamse vrijwilligers, die na een uitzonderlijk zware keuring en opleiding in Duitsland met twee andere Standarten een 'Germaanse' divisie van de Waffen-SS zouden vormen. Er zouden dus Nederlanders in dienst van de SS in het Duitse militaire apparaat gaan dienen.

De SS had besloten tot de oprichting van een Germaanse SS-divisie met de naam 'Germania' (later: 'Wiking'), bestaande uit Duitsers (in de Standarte 'Germania'), Scandinaviërs (in de Standarte 'Nordland') en Nederlanders en Vlamingen (in de Standarte 'Westland'). Mussert reageerde, zoals gezegd, weinig enthousiast toen Berger hem het bovenstaande meedeelde. Gottlob Berger had Musserts donkere vermoedens over de SS bevestigd toen deze door liet schemeren dat de plannen omtrent Nederlanders in de SS het begin van de inlijving van Nederland in een groot-Germaans rijk zou inluiden. Dit was tegen het zere been van Mussert, de zelfstandigheid van Nederland zou op korte termijn door de SS voor onbepaalde tijd worden beëindigd, zo meende hij. De kans op een 'Groot-Nederland' of 'Dietsland' (een ideaal dat Mussert nooit zou opgeven) werd er bovendien niet groter op nu Nederlanders zouden toetreden tot een organisatie die niet alleen op macht belust was, maar ook nog eens streed voor een groot-Germaans rijk waarbinnen geen ruimte was voor welke zelfstandigheid dan ook. Verder besefte de NSB-leider dat het Nederlandse volk, wanneer zijn NSB aan de plannen van de SS mee zou werken, zijn Beweging ongetwijfeld (opnieuw) van landverraad zou betichten. In de hoop dat het de NSB een betere positie zou opleveren, besloot Mussert de Duitsers te tonen dat hij en zijn Beweging tóch bereid waren om met hen samen te werken. 'De Hagespraak der bevrijding' gehouden op 22 juni, werd door Mussert aangegrepen om zijn goede wil te tonen.

Met een ongegeneerd pro-Duitse redevoering en een minutenlange lofzang aan de aanwezige Hermann Göring trachtte de NSB-leider 'de schepper en behoeder van de Duitse luchtmacht' te paaien. Deze had in het verleden, Mussert verzekerd dat Duitsland nooit de plannen zou hebben om Nederland permanent te domineren. De NSB-leider hoopte vergeefs dat Göring, nadat deze de redevoering had aangehoord, zijn eerder gedane uitspraken weer kon herinneren en zich achter Musserts verzet tegen de SS-plannen zou scharen. Deze hoop was tevens gebaseerd op het geschenk dat het zwaarlijvige Luftwaffe kopstuk ontving. Göring, de man achter de vernietiging van het centrum van Rotterdam, mocht de bronzen luidklok van de NSB (gewicht: ruim drie ton) mee naar huis nemen. Mussert verklaarde dat de gift gezien moest worden 'als een offer dat wij met liefde brengen voor hen die nu metterdaad ons volk en ons vaderland beschermen'. Dat de NSB nu opnieuw geconfronteerd zou worden met talloze beschuldigingen van landverraad nam Mussert voor lief. Het was in zijn ogen het belangrijkste om door de versterking van de eigen positie de SS een halt toe te roepen voordat het te laat was.

Musserts angst voor de intenties van Himmlers SS werd nog groter nadat hij op 30 juli een gesprek had gehad met de Reichsführer. Deze wond er geen doekjes om: voor Nederland stond de toekomst al vast, namelijk opname in een groot-Germaans rijk onder leiding van Duitsland, waarin voor een zelfstandig Nederland geen plaats zou zijn. Himmler liet Mussert bovendien weten dat hij in Nederland een Allgemeine SS wilde oprichten en wel als onderdeel van de NSB. Dit leek op het eerste gezicht vreemd, maar dat was het niet. De bezetter en de SS hadden weinig op met de NSB, maar nog minder met het Zwart Front, de NSNAP'en of andere organisaties. Om diverse redenen, waarop later nog zal worden ingegaan, wilde de SS de formatie aan een politieke Beweging binden. Reichskommissar Seyss-Inquart kreeg daarom de opdracht voorlopig de NSB als handlanger te strikken. De plannen van de SS zouden, naast de vestiging van de eigen organisatie in Nederland, tevens moeten dienen om de NSB, die in Duitse ogen nog lang niet nationaal-socialistisch was, verder te radicaliseren. Op den duur zou de NSB dan uit moeten groeien tot een echte nazipartij die uitstekend aansloot bij de SS. Er moest echter in de persoon van Anton Mussert nog wel een belangrijke hindernis worden genomen voordat dit alles van start kon gaan. Mussert bleef zijn twijfels rond de SS behouden en weigerde de medewerking van de NSB. De teloorgang van de Nederlandse zelfstandigheid die een groot-Germaans rijk onvermijdelijk met zich mee zou brengen, zette Mussert aan tot het schrijven van een nota bestemd voor Hitler, waarin hij pleitte voor een alternatief. Het was opnieuw een poging om de eigen positie ten koste van de SS te verstevigen.

De druk op Mussert om mee te werken aan de oprichting van een Nederlandse SS binnen de NSB, werd verder opgevoerd. Het botweg weigeren van elke medewerking was geen optie voor de NSB. Wilde men de eigen positie tenminste handhaven, dan dienden er toezeggingen te worden gedaan. De NSB-leider maakte kenbaar niet meer tegen de oprichting van een 'soort SS' binnen de NSB te zijn; hij wilde alleen niet dat een dergelijke organisatie initiatieven ontplooide om Nederland tot een deel van een Germaans rijk, oftewel Duitsland te maken. Juist daarom had Mussert zijn twijfels over de plannen om de 'volkse' Feldmeijer, een SS'er in hart en nieren, als voorman van de Nederlandse SS te benoemen. Mussert wilde alleen akkoord gaan als er een door hem benoemde persoon boven de WA en vooral de SS binnen de NSB zou komen te staan. De bezetter en de SS voelden hier niets voor en wezen Mussert erop dat de WA en de SS strikt gescheiden dienden te blijven. De NSB-leider liet hierop weten zich te beraden over het voortzetten van de medewerking van zijn Beweging. De Duitsers hadden echter nog wel wat achter de hand om de NSB-leider op andere gedachten te brengen.

Seyss-Inquart en Generalkommissar zur besonderen Verwendung Fritz Schmidt, de hoogste NSDAP-vertegenwoordiger in Nederland, waren op de hoogte van Musserts wens om Hitler te spreken te krijgen. Mussert zag een bezoek als hét middel om de SS te dwarsbomen. Omdat Mussert klaarblijkelijk niet van plan was om gehoor te geven aan de wensen van de SS, besloten de beide heren zijn wensdromen uit te buiten. Op 21 augustus wisten zij de NSB-leider onder zware druk te plaatsen door hem te wijzen op een mogelijkheid van een ontmoeting met de Führer. Mussert moest daar echter wel wat tegenover stellen, namelijk de oprichting van de Nederlandse SS. Mussert schreef hierop de eerder genoemde nota waarin hij voor een Germaanse Bond pleitte. De NSB-leider meende dat zijn ideeën de Führer er toe zouden kunnen brengen om de politiek ten opzichte van Nederland en de NSB te wijzigen. Als hij Hitler aan zijn zijde kon krijgen, dan kon de SS in Nederland wel worden gestopt, meende een zichzelf overschattende Mussert. Hij stelde op 25 augustus Hitler schriftelijk op de hoogte van zijn plannen omtrent de oprichting van een Germaanse Statenbond. Deze zou moeten bestaan uit de staten Nederland, Duitsland, Zweden, Noorwegen en Denemarken en zou geleid moeten worden door de Germaans Führer Adolf Hitler. Mussert zag zichzelf als de geschikte persoon om het Groot-Nederlandse deel van de bond te leiden. Hij zei bovendien toe, in dit kader Nederland te laten deelnemen aan de grote afrekening met de Sovjetunie.

Berlijn kon Musserts meedenken met betrekking tot een Germaans Rijk wel waarderen, maar deed er vanwege kleine maar zeer belangrijke verschillen tussen Musserts plan en Hitlers conceptie verder niets mee. De SS ondervond dan ook geen enkele schade van Musserts schrijven aan de Führer. In de overtuiging dat dit alternatief voor Himmlers plannen Hitler zou overtuigen en dus de macht van de SS wél zou inperken, ging Mussert door de knieën, er kwam een Nederlandsche SS. Daarnaast was hij geschrokken van de dreigende toon die de SS uitsloeg. Uit ontevredenheid over Musserts houding dreigde de SS ten koste van de NSB-leider, Rost naar voren te schuiven. a Op 30 augustus ging Mussert na bovenstaande zaken in overweging te hebben genomen, akkoord met de oprichting van de Nederlandsche SS binnen de NSB, maar hij hield zijn bezwaren tegen de benoeming van Feldmeijer overeind. Musserts toezegging was echter niet genoeg voor Seyss-Inquart en Schmidt. Voordat de nota met Musserts Germaanse Bond idee en zijn verzoek tot het bezoeken van Hitler werd doorgestuurd, diende hij ook nog zijn onvoorwaardelijke trouw aan de Führer te verklaren. In zijn verlangen om Hitler te mogen spreken, voldeed Mussert dan ook aan deze eis van de bezetter. In het begeleidend telegram liet Mussert aan Hitler weten dat hij de 'volkse' beginselen erkende en zijn bevelen afwachtte. Mussert had hiermee officieel verklaard gehoorzaam te zijn aan Hitler. Op 6 september hoorde Mussert van Schmidt dat hij Hitler op 23 september mocht bezoeken. In zijn euforie liet Mussert nu ook zijn bezwaren tegen de benoeming van Feldmeijer vallen.

Net als zijn nota had ook het bezoek van Mussert aan Hitler geen gevolgen. Musserts plannen, gebaseerd op een grote zelfoverschatting, om de SS in Nederland tegen te houden, vielen in duigen, al had hij dat zelf niet door. De Nederlandsche SS werd binnen de NSB opgericht en daarmee wist Himmler zijn macht opnieuw uit te breiden.

Bronnen: (zie literatuur voor volledige titels) R. Havenaar, Anton Adriaan Mussert; R. Havenaar, De NSB tussen nationalisme en volkse solidariteit; J. Meyers, Mussert een politiek leven; D. Barnouw, Rost van Tonningen; L. de Jong, Het koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog; NKCA In't Veld, De SS en Nederland



  Tekst: EM © 2000 - 2009 vragen en/of opmerkingen: mail
  The symbols on this site serve no political or ideological purpose. The author has no intention to promote any political or ideological ideas.